Qr-MIA
       
Leest u dit met een smartphone?
Met (enkele) smartphones moet u zelf uitmaken welke modus voor u geschikt is


Deel deze tekst met een kennis
Het e-mailadres:

Strijd en beweging

Met de hier globaal aangegeven veranderingen is een langzame ontwikkeling van maatschappelijke tegenstrijdigheden gegeven, die tot uitdrukking komt in sociale strijd om de (her)verdeling van het maatschappelijke meerproduct; een strijd die vorm krijgt in sociale bewegingen, organisaties en politieke oriënteringen van de verschillende sociale lagen en klassen.

De oudste tegenstelling is wel die tussen staat/bureaucratische elite en de massa der producenten. Parallel daaraan loopt de tegenstelling tussen stad en platteland. Op den duur kwam daarbij de tegenstelling tussen kapitaal en producenten; een sterk gedifferentieerde tegenstelling, aangezien de aard en de belangen van het westers (en later ook Japans) grootkapitaal, het Chinese groot-, intermediair- en kleinkapitaal en het Indonesische kleinkapitaal sterk uiteen liepen en tegenstrijdigheden vertoonden.

Andersoortige tegenstellingen zijn die tussen de staatsbureaucratie (inbegrepen het recent ontwikkelde bureaucratisch compradorkapitaal) en de drie sectoren van het particulier kapitaal. Verwant met de tegenstelling staatsbureaucratie/particulier Indonesisch kapitaal is de oude tegenstelling Kedjawèn/Pasisir, als meest op de voorgrond tredende van alle interregionale en interetnische tegenstellingen. Naast deze betrekkelijke continuïteiten is er natuurlijk de meer tijdelijke tegenstelling tussen de koloniale heerschappij en alle genoemde Indonesische categorieën. Het is onmogelijk om hier de werking van al deze tegenstellingen op het vlak van beweging en strijd na te gaan. We moeten ons beperken tot enkele hoofdlijnen.

In de veelheid van tegenstellingen die elkaar zowel kunnen versterken als doorkruisen en neutraliseren, dringt zich een dominante op: die tussen de massa der producenten enerzijds en aan de andere kant het bureaucratisch complex, het buitenlands, het Chinese en het binnenlands particuliere kapitaal, gezamenlijk.

De objectieve en subjectieve tegenstellingen tussen de laatste drie vormden een grote belemmering voor de ontwikkeling van een zekere klassezelfstandigheid bij de producentenmassa. Vooral gaat het hier om de moeizame emancipatie van de abangan- en santrimassa’s uit de greep van respectievelijk de bureaucratische elite en de islamitische elite; dat wil ook zeggen uit de ban van de abangan/santritegenstelling voorzover deze meer cultureel en communalistisch is dan sociaal.

Het historisch uitgangspunt wordt gevormd door het traditioneel prekapitalistisch agrarisch verzet dat zich allereerst richtte tegen het politieke gezag. Van de prekoloniale tijd is niet zoveel bekend. Schrieke noemt het boerenprotest tegen de zware lasten van tempelbouw, in de vorm van het wegtrekken naar een ander gebied. Benda suggereert dat er wellicht enig verband kan bestaan tussen agrarisch verzet en de receptie van de islam.[1] In de koloniale periode (na de VOC) moet in elk geval onderscheid gemaakt worden tussen opstanden en bewegingen in de meer recent onderworpen buiten-Javaanse Pasisir en die in de Kedjawèn en Java in het algemeen. In de eerstgenoemde zone waar de pre- en contra-islamitische krachten veel zwakker waren, konden de moslimse voorgangers veel meer hun overwicht doen gelden; dit was vooral duidelijk sinds de internationaal geïnspireerde fundamentalistische opleving van de islam in de 19e eeuw. Het kwam tot uitdrukking in een aantal grote opstandsbewegingen, die der “Padri’s” in de Minangkabau in de jaren ’20 en ’30; die in Banten, 1840, 1888; die in Atjeh, circa 1872 – circa 1904. Geertz heeft – zoals reeds even werd aangeduid – in zijn Islam observed in zeer beknopt bestek de historische betekenis van deze islamrenaissance aangegeven, met als krachtscentra het geïntensifieerde hadj- en studiecontact met het Nabije Oosten, de meer op de studie van de Koran zelf georiënteerde pesantrèn en madrasah (religieuze internaten) en het Indonesische lokale marktsysteem. In het hierdoor bepaalde netwerk opereerden vaak zeer mobiele schriftgeleerden, pelgrims, studenten en zwervende kooplieden, die hun bijdrage leverden aan het ontstaan op den duur van merkwaardige combinaties van fundamentalisme en modernisme.[2] Deze opleving kan ook worden gezien als een hernieuwd tegenoffensief van de Pasisir tegen de Kedjawèn in alle denkbare betekenissen; tegen de indianiserende cultuur van de prijaji; tegen het syncretisme van de abangan; tegen het op Java gevestigde centraliserende gezag, enzovoort. Het resultaat was echter niet een massale uitbreiding van de santriwereld, maar eerder een bevestiging en consolidatie van die wereld binnen het Javaanse cultuurgebied; een verduidelijkte markering van de historische dichotomie in de Javaans-Indonesische maatschappij en cultuur; een afbakening ook van het minderheidskarakter van de santriwereld.

Het zij hier herhaald dat het santri-element eeuwenlang de meest dynamische Indonesische factor was, die zich nimmer geheel neerlegde bij de heerschappij van prijaji of adathoofden en ongelovige westerlingen.

Het islamitisch offensief werd evenals in de 16e en 17e eeuw gestimuleerd door de voortgang van de Nederlandse penetratie in de geografische breedte en de maatschappelijke diepte. Dit bracht sociaaleconomische, politieke en culturele veranderingen, een proces van secularisatie en de bevestiging van de traditionele aristocratische lagen: een veelvoudige uitdaging voor de islamitische elites. We zien lange historische lijnen van islamitisch of door orthodoxe moslims geleid verzet, vooral in de buiten-Javaanse gebieden. In de Minangkabau loopt deze strijd tegen de adathoofden, tegen “heterodoxie” en tegen de christelijk-koloniale heerschappij die met de traditionele elite verbonden was, van de Wahabitisch geïnspireerde Padri-oorlog (circa 1820-1838), naar de 20e eeuw met zijn belastingopstand in 1908 en de revolte van 1927. In Atjeh is dit verzet permanent tot en met de burgeroorlog van 1945-’46 waarin de traditionele hoofden (de hoeloebalangs) werden uitgeroeid. In de West-Javaanse Pasisir, in Banten, loopt een met Sumatra parallelle lijn van vroeg 19e-eeuws verzet over 1850 naar de opstand van Tjilegon in 1888 en verder in de 20e eeuw, over kleine incidenten naar 1926.[2a] Ook op Java in engere zin kunnen vergelijkbare verschijnselen worden waargenomen in de loop van de 19e en 20e eeuw. De steunpilaren tot het bittere eind van Diponegoro’s strijd waren santri’s.[2b] Mede door de integratie van de prijaji’s in het moderne administratieve apparaat in de stedelijke centra, werd de ruimte voor de santri’s aan de agrarische basis groter om zich te weer te stellen tegen de ongelovige heersers. Zo registreert Sartono bijvoorbeeld bewegingen te Kudus (1847) , Kalisalak (jaren ’50 van de 19e eeuw), Keboanpasar (1903), Gedangan (1904) en Tjimareme (1919), met duidelijk moslims leiderschap.[3] De islamitische strijd tegen de overheersende machten loopt na de Tweede Wereldoorlog verder in de Darul-islam en zijn bondgenoten in Atjeh en Zuid-Sulawesi;[4] de laatste golven van gewelddadig traditionalistisch verzet, die een regelrechte voortzetting vormen van de oudste Pasisiroffensieven tegen de “Aziatische” kern en het binnendringende Westen. Na het neerslaan hiervan neemt het islamitisch verzet tegen het seculiere Javaniserende staatscentrum, voorlopig meer vreedzame oppositionele vormen aan.

Hoe dan ook, voldoende aanleiding voor het ontstaan van een beeld, waarin met name agrarisch basisverzet aan santrileiding wordt geassocieerd, vooral tijdens het koloniale tijdperk.

Het lijkt ons nodig hierbij enige kritische kanttekeningen te maken. Om te beginnen is het gewenst het historisch perspectief te verruimen tot voor en na de Nederlandse heerschappij.

Sartono merkt op dat er een zekere continuïteit bestaat tussen prekoloniaal en koloniaal boerenverzet.[5] Dit stemt overeen met de historische ontwikkeling in andere Aziatische landen waar al meer gegevens over beschikbaar zijn. En zolang er geen moderne politieke en organisatorische vorm aan wordt gegeven, zoals in China en Indochina en in mindere mate op Luzon, zal dit elementaire agrarische verzet tegen al te krachtige afroming van het meerproduct en zelfs van het (voor de reproductie van de dorpsgemeenschap) noodzakelijk product, en tegen doorkruising van traditionele productiepraktijken voort blijven gaan; meest onder een of ander religieus ideologisch vaan. Dit laatste feit – ideologische expressie van boerenverzet in religieuze vormen bij culturen (of subculturen) waar geen andere ideologische uitdrukkingsvormen beschikbaar zijn is zo vanzelfsprekend, dat de herhaalde uitdrukkelijke signalering hiervan in de betrokken literatuur enigszins overbodig lijkt. Praktisch even weinig opzienbarend is de constatering, dat er in een min of meer geïslamiseerd gebied als Indonesië, vaak islamitische elementen in de betrokken verzetsideologieën voorkomen. Zeker niet in een periode als de 19e en het begin van de 20e eeuw, waar na de lange sluimer van de islam, de versluiering van de dichotomie (de tegenstelling tussen santri’s en Javanisten), nog geruime tijd bleef doorwerken; een periode waarin een islam met zeer veel aangezichten de enige gemeenschappelijke supralokale ideologie vormde, die enigszins kon voorzien in de behoefte aan een eigen culturele en politieke identiteit tegenover de heersers.[6] Ook ligt het zeer voor de hand dat de islamitische elites, die in hun traditionele opposantenrol voortdurend werden bevestigd door een extreem wantrouwig koloniaal gezag, in een gunstige positie verkeerden om leiding te geven aan boerenverzet.

Nuttig als Sartono’s zorgvuldige uitsplitsing van messianistische, millenaristische, nativistische, revivalistische, “Heilige Oorlog” en andere elementen in de ideologie van agrarische protestbewegingen godsdiensthistorisch (of “ideengeschichtlich”) mag zijn, is deze systematisering sociaalhistorisch niet altijd even relevant.[7] Interessanter ware nader onderzoek naar de relatie tussen deze ideologische componenten en de sociale aard van de leiding en achterban; juist ook omdat het waardevolle onderzoek van Sartono reeds gegevens verstrekt voor een relativering van de rol der santri’s en van de islam in engere zin ten opzichte van de massa, met name op Java.

Tot en met de Java-oorlog werden oorlog en verzet op enige schaal geleid door prinsen en andere aristocraten. Dit geldt ook voor het islamitische Banten, waar Sartono ook nog wijst op gemarginaliseerde elementen onder de aristocratie, waaronder een traditionele revolutionaire elite. Het neerslaan en uitschakelen van deze categorieën van leiders en de nauwe verbinding van de prijaji’s met het moderne koloniale ontwikkelingsproces in de stedelijke sfeer, schiep meer ruimte voor de ontplooiing van santrileiding van plattelandsopstandigheid tegen het gevestigde gezag.[8] Maar ook in deze periode sinds de jaren veertig, komen we ook nog verzet tegen dat niet direct een specifiek orthodox islamitisch karakter kreeg, en ook niet werd beheerst door kjai’s, oelama’s of hadji’s: bijvoorbeeld te Klaten (1865); te Bekasi (1869); de beweging van Amat Ngisa en Djumadilkobra in Pekalongan (1871); en in Tjiomas (1886).[9] Dit niet orthodox islamitisch geleid verzet, hetzij Javaans syncretistisch, hetzij seculier, loopt door in de 20e eeuw. Voor de meerderheid van de door Sartono behandelde bewegingen, geldt eigenlijk dat uitgesproken islamitische ideeën en leiders niet overheersen. Interessant zijn ook de regelrecht anti-islamitische tendenties die soms onder de abangan voorkomen.[9a] De enorme, als semisubversief ervaren opbloei van hindoe-boeddhistische tendenties na het liquideren van de PKI, vormt de meest recente uitdrukking van het streven der abanganmassa zich sociaal-ideologisch zowel tegenover het centraal gezag als tegen de santri’s te markeren.[10] Opmerkelijk is, dat vele decennia van versterking van het prestige van santrivoorgangers op lokaal niveau, op Java de werkelijke machtssfeer van islam niet kwalitatief vergrootten. De minderheidspositie werd niet doorbroken. Een vrij groot aantal van de door Sartono behandelde opstandige boerenbewegingen met een uitgesproken islamitische inslag, blijkt zich in de Noord-Javaanse Pasisir te hebben voorgedaan.[11]

Tastbare islamitische machtsuitbreiding vond wel plaats op Sumatra. Allereerst met de eclatante overwinning op de hoeloebalang in Atjeh 1945-’46.[12] Ook in de Minangkabau kon met het wegvallen van het Nederlandse gezag de kunstmatige positie van de adathoofden niet meer worden gehandhaafd. Wat daarvoor in de plaats kwam, was echter geenszins een heerschappij van traditionalistische oelama. Het waren de nieuwe modernistisch (of reformistisch) georiënteerde islamitische elites met meer westers beïnvloede scholing, sociaal zowel afkomstig uit de gezeten oude moslimse milieus, als uit de adataristocratie: een voor Indonesische begrippen vrij krachtige burgerlijke laag die niet antagonistisch stond tegenover de plaatselijke wereldlijke elites met westerse oriëntering en die als lokale heersende klasse nog altijd de traditionalisten tegenover zich vond.[13] Deze overwinningen – de resultaten zou men kunnen zeggen van een eeuwenlang streven van protoburgerlijke elementen tegen andere aristocratische machten en hun bondgenoten – hebben maatschappelijk overigens weinig fundamentele veranderingen teweeg gebracht: een feit dat niet alleen kan worden geweten aan de loden last van het stagnante Javaanse centrum, waar Geertz op wees.[14] Wat Java nu betreft, werd de tijdelijke grote speling voor santrileiding op lokaal niveau in de 20e eeuw ernstig aangetast. In de eerste decennia komt een nieuw prijaji-initiatief op gang waarmee het politieke initiatief grotendeels in Javaanse, niet-santri-handen zou blijven. Lagere prijaji’s met westerse scholing (een terrein waarop de santri’s al gauw een hopeloze achterstand zouden oplopen), maar buiten het ambtelijk apparaat en niet afkomstig uit hoger geschoolde milieus, betraden het terrein van moderne sociale organisatie en journalistiek. Hun kracht werd al spoedig gedemonstreerd in de Sarekat Islam. Snel drongen zij daar de santrizakenlieden, die zelf het initiatief hadden genomen om (vrome) prijaji’s leidende posities te geven, van het voorste plan. Interessant is daarbij ook, dat de orthodox islamitische Arabische financiers door Chinese werden vervangen.[15] Tjokroaminoto cum suis transformeerden deze beweging van een economisch-religieuze santribelangenorganisatie tot een prenationalistische en later, mede onder socialistische impulsen, tot een nationalistische massabeweging, circa 1917-1920.[16]

In de Sarekat Islam werden tijdelijk onder hun leiding santri en abangan op grote schaal verenigd. Dit was een uniek feit: het product van een overgangssituatie. Het waren de nadagen van de lange tijd van versluiering der dichotomie; een laatste periode van “blurring of the lines”, die mede mogelijk werd gemaakt door het “Ethisch tijdperk”. De enorme kapitalistische expansie 1900-1914, met zijn economische groei-impulsen (met een bescheiden speling ook voor het santrikapitaal), met zijn ethisch-liberale politiek en onderwijsontwikkeling, begon de contradicties van de Javaanse maatschappij naar voren te brengen en schiep tegelijkertijd tijdelijk zowel een zekere ruimte voor de ontwikkeling van Javanistische en islamitische elites, als een optimistisch klimaat van ontwikkelingsillusies waarin samenwerking mogelijk was; een samenwerking die zich later nog eenmaal in zeer verzwakte vorm in een andere opgangsfase, de revolutie van 1945-’46, voor zou doen.[17] Het was geen volledige vermenging. Santrileiders hadden een grote invloed aan de basis van de SI, terwijl de prijaji-elementen meer strategische posities in de stedelijke sfeer innamen. Aangezien de agrarische massabeweging van vele honderdduizenden geen duidelijke vorm kreeg, kon zij slechts van zeer tijdelijke aard zijn; zij duurde niet langer dan de jaren 1913-1916. Daarna nemen beweging en actie op het platteland wat bescheidener vormen aan. Op vakbondsvlak zijn de arbeiders in de suiker het meest actief en worden de grondslagen gelegd voor wat later na de oorlog de Sarbupri (plantage-arbeidersbond) zou worden. Daarbuiten worden oudere tradities van spontaneïstisch agrarisch verzet voortgezet, in soms nieuwe vormen: riet- en schuurbranden.[18]

Het zwaartepunt van de nationale beweging kwam toen voor geruime tijd (zeker op Java) in de steden te liggen; en daar domineerden de prijaji’s vanaf het begin van de 20e eeuw. Het intermezzo dat de SI voortbracht, maakte ook het optreden van een nieuwe factor mogelijk: het socialisme.[19] Dit bracht een geweldige versnelling in de ontwikkeling van de maatschappelijke tegenstellingen; een ontwikkeling die niet in de laatste plaats tot uitdrukking kwam in een verduidelijking van de dichotomie en van de sociaal-culturele trias, de historisch belangrijkste uitdrukkingsvorm van die tegenstellingen. Dat er een sociaaldemocratische organisatie werd gevormd in 1914 was alleen denkbaar in het kader van de voor Azië ongewoon grote en groeiende koloniaal-Europese minderheid, die verschillende politieke stromingen van de metropool reproduceerde. Dat deze Europese groep vrij snel het ergste isolement verbrak, werd in eerste instantie mogelijk gemaakt door het Euraziatisch nationalisme – voorloper en pionier van het Indonesisch nationalisme – en door de gemengde spoorwegvakbeweging waarin Euraziatische nationalisten ook een rol speelden.[20] Gezien de grote sociaal-etnische tegenstellingen van de koloniale maatschappij, was dit beslist geen vloeiende vanzelfsprekende ontwikkeling, maar een moeilijk bevochten doorbraak. Het was het resultaat van een krachtige subjectieve inzet, een bewust systematisch streven, dat voor een niet gering deel werd geïnspireerd door de persoon van Henk Sneevliet.[21] Het was voor een belangrijk deel door de invloed van de sociaaldemocraten (met name de ISDV-marxisten), dat de Sarekat Islam werd opgestuwd van een prenationalistisch conglomeraat onder zeer gematigde leiding naar een radicaal nationalistische beweging, waarbinnen een communistische massabeweging kon groeien.[22] Wellicht kan men hier spreken van een opstuwing waarvoor tot op zekere hoogte nog nauwelijks de maatschappelijke voorwaarden waren vervuld, waarmee gedeeltelijk al een zwakke plek van de communistische beweging is aangegeven.

Wat zonder meer een logisch gevolg was van het streven naar een proletarisch-socialistische beweging, was dat de PKI uiteindelijk terechtkwam bij de abanganbasis, ook al behield zij in de periode voor de Tweede Wereldoorlog nog enige santri-aanhang.[23] De ervaringen die men opdeed met het radicale santri-antikolonialisme deden een aantal PKI-leiders in de jaren twintig nog illusies koesteren over de islam, ook toen de breuk eigenlijk al onvermijdelijk was geworden.[24] Hoezeer de ISDV en later de PKI soms ook tot concessie aan de SI-leiders bereid waren, was hun streven naar een autonome klasse-organisatie van loonafhankelijken en kleine boeren van begin af aan volstrekt onaanvaardbaar, zowel voor de santrimiddenstand als voor de islamitisch georiënteerde lagere prijaji-(semi)intelligentsia in de Sarekat Islam (en daarbuiten). De (P)SI-leiding brak dan ook in 1923 definitief met de PKI.[25] Zij moest daar wel een hoge prijs voor betalen: door het verdwijnen van de abanganmassa viel de PSI als santribeweging blijvend terug in een sektarisch isolement. De lokale Sarekat Islam afdelingen onder PKI-invloed werden omgevormd tot de afzonderlijke Sarekat Rakjat.[26] Niet alleen was er een grote, sociale afstand tussen PKI en Partai Sarekat Islamelites, deze bestond ook, zij het op andere wijze, tussen de PKI en de seculiere prijaji-intelligentsia in opbouw. De meeste leiders van de moderne nationalistische beweging in spe hadden geen dringende behoefte aan een autonome beweging van de abanganmassa. De kleine groep radicale studenten in de Perhimpoenan Indonesia in Nederland sympathiseerde wel met de PKI en de Komintern, maar bleef voornamelijk nationalistisch georiënteerd. Uit de (neoprijaji) intelligentsia in engere zin trad, zeker in de periode 1920-1927, praktisch niemand toe tot de communistische beweging. In Indonesië zelf stak bijna niemand een hand uit toen de PKI werd geliquideerd in 1926-1927.[27]

Van belang was verder ook, dat in de SI-PKI-periode werd aangetoond: dat de syncretistische abangan een zekere ontvankelijkheid vertoonde ten aanzien van radicale maatschappelijke denkbeelden. Ook het platteland bleek beslist niet ontoegankelijk te zijn. De ISDV was al begin 1916 in staat in samenwerking met SI-kaders, massabijeenkomsten te organiseren.[28] De greep van santri- en prijaji-elites op de abanganmassa was niet onwrikbaar. Natuurlijk had de ISDV-PKI mee dat er in de periode 1917-1926 nog geen seculiere radicale intelligentsia van voldoende omvang bestond, om een moderne nationalistische beweging of andere radicaal antikoloniale organisaties te kunnen vormen. Men bleek daar pas toe in staat te zijn na de liquidatie van de PKI.[29] Verschillende oorzaken dus voor de zeer geringe deelname van de prijaji-intelligentsia aan de PKI, wat eigenlijk, zij het in verminderde mate, zo zou blijven na de Tweede Wereldoorlog.[30]

Toen de PKI werd neergeslagen in 1926-’27, kon haar abanganaanhang gedeeltelijk worden overgenomen door de nieuw gevormde nationalistische prijaji-intelligentsia, met name door de PNI. Dit betekende echter geenszins dat hiermee de plaats van de PKI echt werd ingenomen. Na de periode van Sarekat Islamexplosie en PKI-massabeweging – circa 1913-1927 – tot aan de revolutiejaren is er geen beweging van vergelijkbare omvang meer tot stand gebracht. De nationalistische prijaji-intelligentsia, die bij de uitschakeling van de PKI en de neergang van de Partai Sarekat Islam op Java geen serieuze politieke concurrentie meer had, slaagde er niet in een moderne nationalistische massabeweging van de grond te krijgen en lange tijd onder controle te houden, zoals dat bijvoorbeeld in India mogelijk was.[31] Dit kan niet alleen het gevolg zijn geweest van de grotere koloniale repressie, ook al mag die factor zeker geteld worden. Het heeft iets te maken met de enorme kloof tussen prijaji-elites en abangan- (en overige) massa; een kloof waar santrileiders zo lang en zo vaak gebruik van konden maken om een in wezen disproportionele rol in verzet van onderop te spelen; een kloof die werd bevestigd door het ontstaan van een autonome abanganbeweging met een klasse-inslag. Het is veelzeggend dat de 18 jaar lang uitgeschakelde PKI na de Tweede Wereldoorlog en opnieuw na de debacle van 1948 – wel te verstaan in een tijd van vergaande dominantie van de nationalistische neoprijaji-intelligentsia – de afgebroken draad met betrekkelijk groot gemak weer kon opnemen.[32]

De gunstige mogelijkheden voor de PKI-arbeidersbeweging werden overigens benut in de vorm van een aanpassing aan zekere traditionele sociaal-culturele verhoudingen. In de periode 1926-1927 een radicalistische aanpassing aan traditioneel agrarische opstandigheid in islamitische zones zonder reële relatie tot de eigen arbeidersbeweging. Sinds 1951 vooral een aanpassing aan de Javaanse triasstructuren binnen het kader van de nationale leiding van de neoprijaji-intelligentsia, verbonden met een belangrijke (sociaal-organisatorische en educatieve) moderniseringsrol.[32a]

De fundamentele zwakheid van de communistische beweging ging in de eerste plaats terug op de geringe omvang en de versnippering van de moderne arbeidersklasse. Een graadmeter hiervoor is de beperkte ontwikkeling van de vakbeweging, die onder de druk stond en immer bleef staan van de enorme arbeidsreserve. Hasibuan stelt vast, dat voor de Tweede Wereldoorlog het percentage georganiseerden op het totaal van de werkende massa nooit boven de 0,5 procent kwam; te weten ruim 100.000.[33] Een vrij groot aantal daarvan lag in de ambtelijke sfeer. De vakbeweging van witteboordwerkers in overheidsdiensten vormde ook het meest stabiele element, zij het tegelijkertijd een zeer weinig strijdbaar element, ook naar westerse vakbondsmaatstaven. Van de meer uitgesproken proletarische vakbeweging is in de koloniale tijd vooral die van het spoorwegpersoneel goed van de grond gekomen. Na de grote staking van april 1923, getroffen door repressieve maatregelen, hield zij op te functioneren als spoorwegvakbeweging, als kern en model van de moderne vakbeweging en als wapen in de strijd van de communistische partij tegen de koloniale heerschappij.[34] De combinatie van elementaire zwakheid van arbeidersklasse en -beweging met versterkte repressie sinds het regime van gouverneur-generaal Fock, van vroege penetratie van de revolutionair-socialistische beweging met buitengewoon scherpe concurrentie tussen islamitisch-nationalistische beweging en communistische partij, had in elk geval voor Indonesië een buitengewoon sterke binding tussen politieke en vakorganisaties tot gevolg; een die vooruitliep op latere aliranrelaties. Een binding die bij de vaak uiterst geringe afmetingen van vele bonden de grenzen tussen beide terreinen soms deed vervagen en in het geval van de vakbeweging, onder invloed van de PKI tijdens de jaren ’20, bevorderlijk was voor radicale acties op korte termijn. Tegelijkertijd vormden deze verhoudingen, verbonden met de (postethische) repressiepolitiek der regering, een belemmering voor de ontwikkeling van een massavakbeweging.[35]

Er ontstond een sterke discrepantie tussen een vrij grote diffuus politieke uitstraling van de communistische beweging en haar uiterst zwakke, modern georganiseerde arbeidersbasis. De radicalistische neigingen van de oude PKI werden door de impasses die in deze verhoudingen lagen opgesloten, versterkt. In het kader van een neergaande ontwikkeling van massabeweging en strijd, mondden zij uit in een wanhoopsopstand (1926-1927). Typerend genoeg werd deze niet in de eerste plaats gedragen door de moderne arbeiderskernen van de eigen beweging, maar sloot in sterke mate aan bij radicale agrarische verzetstradities in islamitische kerngebieden.[36] De rebellie in Banten en Minangkabau markeerde als het ware tegelijkertijd het voorlopige einde van een tijdperk van sterke santri-inbreng in verzetsbewegingen van onderop, en de opgang van (neo)prijaji/abangan dominantie van die bewegingen.

In de PKI-politiek van deze vroege periode komen twee alternatieve en tegelijk complementaire neigingen voor: een in de richting van handhaving of herstel van goede relaties met de nationalistische Sarekat Islam (SI/PSI)-leiders en een andere, georiënteerd op radicale politieke acties, die uitliepen op uitzichtloze explosies. Dit ongelukkige dilemma was op zichzelf niet uniek. In dit concrete geval had het veel te maken met de historische impasses van de Indonesische maatschappij en met het onduidelijk door elkaar lopen van santri- en abanganverzet van een oudere periode. Deze dubbele tendens van de PKI zou zich na de Tweede Wereldoorlog reproduceren in de vorm van vergaande samenwerking met de nationalistische (neo)prijaji-leiders, en/of abrupt geïmproviseerd verzet (Madiun)/beperkte putsch deelname.

Japanse tijd en revolutie

De Japanse bezetting wordt in het algemeen als een breuk in de Indonesische geschiedenis beschouwd door de onherstelbare aantasting van het Nederlandse en Westerse gezagsprestige, en door de diepe politiserende ingreep in de Indonesische maatschappij tot in de desa.[37] Enige kwalificatie hiervan in relatie tot de continuïteiten in die geschiedenis, is nodig. Andersons indrukwekkende boek over de revolutie op Java verschaft daarvoor de essentiële gegevens. De werking van de (modern)kapitalistische krachten op de Indonesische maatschappij werd buitengewoon verzwakt, en dat niet alleen voor de periode van de oorlog. Net als in de crisisjaren had dit tot gevolg dat bepaalde, vrij sterk in marktverhoudingen opgenomen zones van de binnenlandse, meer agrarische economie, terugvielen op zelfvoorzieningsniveau.[38]

De involutionaire aanpassing was sterk.[39] Objectief betekende dit een versterking van de fundamentele zeer oude maatschappelijke impasses. Binnen dit economisch stagnatie- en regressiekader, functioneerde de Japanse militair-koloniale staat als een hernieuwde “Aziatische” despotie in haar meest parasitaire gedaante. Tegelijkertijd echter greep dit regime nogal gewelddadig in in een aantal sociaal-culturele verhoudingen, die lang krampachtig in stand waren gehouden. Niet in alle verhoudingen. Benda heeft aangegeven hoe de Japanse bezetter op een drietal terreinen van het Nederlandse koloniale beleid afweek: de positie van de prijaji in de bestuursdienst verzwakte, de nationalistische intelligentsia werd erkend en de moslisme elite werd gepousseerd. Pas betrekkelijk laat werden volgens deze auteur de concessies aan de santri’s overschaduwd door die aan de wereldlijke nationalisten. Anderson legt iets meer het accent op de relatie tussen het Japans bestuur en een oudere generatie Javaanse nationale leiders; zijns inziens droeg de Japanse politiek ertoe bij dat de neoprijajinationalisten en de pangreh pradja (bestuurselite) weer wat naar elkaar toegroeiden, na een periode enigszins tegenover elkaar te hebben gestaan.[40]

Vanouds was de mannelijke jeugd het meest beweeglijke element geweest. Aan de marge van de grotendeels stagnante sociaal-culturele verhoudingen functioneerden reeds lang traditionele instituties en patronen waarlangs de felheid, de dynamiek en de toewijding van ongebonden jongeren kon worden opgevangen: van islamitisch internaat tot het bendewezen toe. Anderson geeft een uitstekend beeld van de wijze waarop de Japanners konden aangrijpen op verschillende sociale, culturele en spirituele tradities en ideeën, voor de organisatorische concentratie en disciplinering, voor de politieke en militaire training, voor de nationalistische mobilisering van vele tienduizenden zo niet enkele honderdduizenden jongeren: buiten de geijkte paden van het gewone leven en van de oude nationalistische beweging om.[41]

De massa van de bevolking onderging een verscherpte onderdrukking en uitbuiting, met name door de gedwongen voedselleveranties en massale dwangarbeid. De gehele samenleving werd dooreengeschud; het gezag der oudere elites werd aangetast; het dorp werd verder opengebroken. De Japanse heerser probeerde overigens wel de grondstructuren van de maatschappij te handhaven.

Wat in elk geval onherstelbaar werd aangetast, was de mogelijkheid op langere termijn koloniale verhoudingen te handhaven. Voor de verenigde Indonesische elites was de onafhankelijkheid een reëel perspectief geworden. Na de uitschakeling van de militante arbeidersbeweging in de jaren ’20 (die door de Japanners niet ongedaan werd gemaakt), was er eindelijk een andere strijdbare antikoloniale beweging gevormd met een massa-inslag, maar met een onduidelijk klassenkarakter. De in de Japanse tijd politiek-militair opgeleide pemuda’s vormden potentieel een schakel tussen de niet meer zo geïsoleerde, maar niet direct mobiele dorpsmassa enerzijds, en aan de andere kant de nationalistische neoprijajileiding. Hun grootstedelijke hoger opgeleide elite ging sociaal-cultureel in deze toplaag over, terwijl de provinciale pemudabasis dicht bij de laagste lagen van de reeds genoemde hiërarchie van westers en vergelijkbaar geschoolden stond.[42] Zij zouden de nationalistische stoottroepen gaan vormen die de nationalistische leiders nodig hadden om de politieke macht te kunnen overnemen. Het Japanse regime hielp zo de voorwaarde scheppen voor de antikoloniale revolutie. Met zijn repressieve economische politiek, steun aan de elites en rigoureuze verhindering van elke ontwikkeling van een duidelijke klassenbeweging van onderop, hielp het ook verhinderen dat die revolutie verdergaande perspectieven zou doen openen.[43]

Hoe dan ook, in een zeer ruim historisch kader kan de betekenis van de Japanse bezetting min of meer in de lijn van drie voorafgaande beslissende ingrepen van buitenaf met een veranderend effect op de Indonesische maatschappij worden geplaatst: die van het West-Aziatisch islamitisch handelskapitaal, die van het klassieke imperialisme, die van het socialisme. Dit waren zeker geen identieke factoren, maar alle woelden zij die maatschappij om en brachten beweging in de basis. De eerste maal doordat moslimse elementen ook het binnenland indrongen en contact kregen met de agrarische basis en zich als leiders van boerenverzet konden opwerpen tegenover de “Aziatische” staat. Bij de tweede ingreep kwamen santri’s, (lagere) prijaji’s en abangans gezamenlijk in beweging (Sarekat Islam), tegenover een eenheid-bevorderende koloniale heerschappij. De Japanse penetratie (en nederlaag) die de meest traumatische werking had, hielp opnieuw alle categorieën in beweging brengen, zij het meer gescheiden.[44] Net als bij de opgang van het vroege nationalisme, stonden in de Indonesische revolutie santri- en abanganelementen in de strijd vaak wel naast elkaar, maar politiek oriënteerde de meerderheid van de strijdenden aan de basis zich toch op respectievelijk de moslimse en de nationalistisch Javaanse elites. Bij de instorting van het Japanse gezag, de trage komst van beperkte geallieerde troepen en de ernstige verzwakking van de Indonesische bestuursdienst, ontstond er een vacuüm, waarbinnen met enige vertraging revolutionaire explosies ontstonden.[45] De onafhankelijk geworden pemudabeweging ontwikkelde een zeer grote dynamiek, onder andere in de vorm van een guerrillastrijd, en tendeerde ernaar dit vacuüm enigszins op te vullen voor zover officiële republikeinse instanties daar nog geen kans toe zagen.[46] Ideologisch-politiek en organisatorisch bleef zij echter te zwak om aan bepaalde radicaal maatschappelijke ideeën concreet gestalte te geven.

De Indonesische nationalistische beweging had zich reeds gedurende een vrij lange periode, sinds circa 1917, min of meer antikapitalistisch geuit. Bij de santrivleugel was dat uitsluitend gericht tegen het buitenlands westers en het Chinees kapitaal. Bij de (neo)prijaji- en abangansectoren van de nationalistische beweging kwam er ook een iets meer algemeen antikapitalistisch sentiment voor. Dit was mede geworteld in de eeuwenlange afwezigheid van kapitalistische ontwikkelingsperspectieven binnen de Javanistische cultuursfeer, in de mogelijkheid om kapitaalbezit te identificeren met antagonistische machten (santri en westerling) en in de traditionele voorkeur voor overheidsfuncties. De antikapitalistische elementen in de nationalistische ideologie, op zichzelf een nogal wijd verbreid verschijnsel, functioneerden vaak meer als vorm van radicaal antikolonialisme dan als revolutionair-socialistische oriëntering, zeker bij de meerderheid van de (neo)prijaji-elite in de nationalistische beweging. Peter Worsley heeft dan ook niet ten onrechte het nationalisme van Soekarno – die ons inziens toch wel de essentie van het (neo)prijajinationalisme belichaamde als charismatische voorganger – als populistisch gekwalificeerd. De oude antikapitalistische tradities van de oude PKI waren echter nimmer geheel verdwenen met de massale uitschakeling van de leiders. In de revolutie kwam het antikapitalisme weer krachtiger omhoog, zowel in de communistische en socialistische groepen, als diffuser bij de pemuda’s in het algemeen. Het concretiseerde zich in eisen tot onteigening van alle buitenlandse bedrijven. Enig samenhangend idee over de socialistische omvorming van de Indonesische maatschappij in engere zin, had praktisch niemand.[47]

Een deel van de grootstedelijke hoger opgeleide pemuda’s, die zich nauw verwant voelden met de meest westers georiënteerde (neo)prijaji-intelligentsia rondom de sociaaldemocraat Sjahrir cum suis, was wel zeer sterk antifascistisch en anti-Japans, en ook wel antikoloniaal, maar niet anti-imperialistisch of antikapitalistisch. Deze min of meer sociaaldemocratische en daarmee verwante pemuda’s konden – door het zwaar wegen van anti-Japanse gevoelens – ook een belangrijke rol spelen bij de geleidelijke en soms gedwongen integratie van de onafhankelijke pemudastrijdgroepen in het officiële republikeinse leger: iets wat de uitschakeling van een potentieel verdergaande revolutionaire factor inhield.[48] Dit inrangeren werd vergemakkelijkt door het feit dat de gehele pemudabeweging niet toe was aan een confrontatie met de nationalistische leiders en republikeinse autoriteiten, die voornamelijk op vergaande compromissen met de westerse machten uit waren.

Typerend is dat de zogenaamde “daulat acties”, waarbij plaatselijk hetzij de macht in eigen hand werd genomen, hetzij welgevalliger dorpshoofden of lagere bestuursambtenaren werden aangesteld door de pemuda’s, meestal niet verder kwamen dan een beperkt lokaal niveau en ook niet werden bevestigd door nieuwe sociale en politieke machtsstructuren. De hogere (prijaji)functionarissen van de pamong pradja werden wel eens verjaagd, gekidnapt of onder druk gezet, maar men was er in het algemeen niet op uit hen als politieke elite ten val te brengen. Dit was alleen het geval in het orthodox islamitisch bolwerk Banten (parallel aan Atjeh), waar een regent, die van Lebak, vermoord werd. Interessanter was eigenlijk een grote opstandige actie in het Pekalonganse kustgebied (de midden-Javaanse Pasisir) eind 1945: de Gabungan Badan Perdjuangan Tiga Daerah, die ook tijdelijk het officiële bestuur wist uit te schakelen. Dit alles bleef echter een lokaal karakter houden met een politiek en organisatorisch onduidelijke structuur. Het kostte de republikeinse militaire en andere autoriteiten niet zoveel moeite deze vormen van volksmacht weer ongedaan te maken.[49]

De santri-jongeren deden in strijdbaarheid beslist niet onder voor de abanganpemuda’s. Zij namen deel aan niet-direct islamitisch georiënteerde acties en groepen, maar concentreerden zich vooral in moslimse strijdorganisaties als de (reeds door de Japanners opgerichte) Hizbullah, en de Sabilillah. In deze santri-organen bestonden natuurlijk veel minder traditionele gevoelens van verbondenheid met de (neo)prijajileiders van de republiek. Hun onverzoenlijkheid ten opzichte van de buitenlandse (kafir) vijand werd echter maatschappelijk ruimschoots gecompenseerd door hun binding met de santriburgerij.[50] Het ideologisch-politiek weinig gepreciseerd karakter van de pemuda-oriëntering liep parallel aan een sterke fluïditeit op organisatorisch gebied. De hele beweging ontstond spontaan en bleef spontaneïstisch. Zij wist geen politiek-organisatorisch alternatief te ontwikkelen voor de politieke partijen, die door de centrale nationalistische elites al gauw weer werden opgericht, veelal in het verlengde van vooroorlogse sociaal-politieke tradities.[51]

Anderson beschouwt de grote radicaliseringsgolf van april tot begin juli 1946 in Surakarta en de botsing van Tan Malaka’s Persatuan Perdjuangan met het republikeinse gezag als de climax van de “perdjuangan”-fase (de radicale strijd van onderop); na de liquidatie van Malaka en zijn beweging kwam het accent definitief bij “diplomasi” op eliteniveau te liggen. Ook deze radicale fase bleef echter alle genoemde zwakheden vertonen. Tot een revolutionaire partij, volstrekt onafhankelijk ten opzichte van alle bestaande elites, kwam het niet.[52] Noch het socialisme van Tan Malaka, noch dat van andere communisten en socialisten was in staat de pemudadynamiek te oriënteren op een autonome revolutionaire klassepartij, gebaseerd op de werkende massa’s;[53] een organisatie die principieel niet alleen de traditionele scheidslijnen binnen die massa doorbrak, maar ook juist de duidelijke scheidslijnen markeerde tussen de (neo)prijaji-nationalistische leiders en bureaucraten, alsook de santribezitters en politieke leiders enerzijds, en die massa van abangan- en santriboertjes, arbeiders en andere niets of nauwelijks iets bezittenden; ook de arbeiders- en boerenbeweging van na de revolutiejaren voorzag daar niet in.[54] Na een kort radicaal begin eind 1945, begin 1946, kwam de communistische partij weer te functioneren binnen het internationale communistische kader van de naoorlogse (volksfront)lijn van uiterste matiging ten opzichte van de westerse oorlogsbondgenoten en daarmee ook van het Nederlands kolonialisme.[55]

Toen het eindelijk in Soerakarta, maart 1946, tot een botsing kwam tussen de Persatuan Perdjuangan en de republikeinse autoriteiten, kostte het die laatste eigenlijk niet zoveel moeite door het leger en een deel van de pemudabeweging zelf, de pemudarevolutie neer te slaan.[56] Eigenlijk nog belangrijker dan deze repressie was de hele ontwikkelingsgang van het republikeinse leger, tegelijk product, kanalisator en integrator van de pemudabeweging. Die rol kon het vervullen door zijn tijdelijke strijdbaarheid, door als schakel te fungeren tussen de pemudabeweging en de nationalistische centrale elite, en ook als sociaal stijgingskanaal voor lokale pemudakaders (voornamelijk abangan), terwijl het tegelijkertijd de republikeinse leiders met hun extreem voorzichtige “diplomasi” naar buiten, en maatschappelijke status quo naar binnen, dekte.[57]

De nederlaag van de radicale pemudabeweging, die althans potentieel iets meer dan antikoloniaal revolutionair was, ging fundamenteel terug op het ontbreken van een duidelijke en georganiseerde klassebasis, en van het streven daarin te voorzien door organisatie van boeren en aansluiting bij de arbeidersbeweging.

Bij al haar sympathie voor en ook wel steun aan de pemudabeweging, bleef de overweldigende massa van kleine en bezitsloze boeren geïmmobiliseerd binnen de traditionele desaverhoudingen. De arbeidersklasse was ernstig verzwakt door jarenlange crisis, economische stagnatie en koloniale repressie. Het Japanse regime duldde geen enkele vorm van onafhankelijke arbeidersorganisaties. Bij het uitbreken van de revolutie toonde deze beperkte en versnipperde klasse echter een grote militantie. Dit kwam naast deelname aan allerlei lokale acties ook tot uitdrukking in het in september 1945 opgerichte Indonesische Arbeids Front (EBI), iets later omgezet in de Federatie van Indonesische Vakbonden (GASBI): een strijdbare, sterk politiek georiënteerde arbeidersbeweging, die betrekkelijk klein bleef en sterk door de regering werd tegengewerkt.[58] Een werkelijke massavakbeweging ontstond pas toen van communistische zijde de SOBSI werd opgericht. Dit was eind november 1946, na het neerslaan van de pemuda-opstand van juli 1946, en van de tendenties in de richting van een zekere sociale verdieping van de revolutie, waar de PKI afwijzend tegenover stond. De SOBSI voer in deze tijd ook een zeer gematigde koers van steun aan de republikeinse regering, zodat vanuit deze vitale sociale sector geen nieuwe revolutionaire impulsen te verwachten waren.[59] De pemudabeweging heeft zeker wel op een of andere manier bijgedragen tot de opleving van de arbeidersbeweging, maar was niet in staat het revolutionair elan van haar hoogtij op een arbeidersmassabeweging over te dragen. Zij kon ook onvoldoende als schakel functioneren tussen boer en arbeider. Evenmin konden de communistische en socialistische arbeidersbeweging de zwakheden van de pemudarevolutie neutraliseren. De eerste stond immer vijandig tegenover Tan Malaka en de zijnen, die juist het pemudaradicalisme verder op wilden voeren. De leidende (neo)prijaji en in tweede instantie ook de santri-elites, konden hun posities consolideren. Zo was de opstand van Madiun in 1948 geen herleving van het sociale potentieel van de revolutie. Zij vormde eer een achterhoedegevecht tegen een versnelling in de politiek-militaire consolidatie van de heersende elites die alle onafhankelijke strijdgroepen wilden ontbinden. De na het “Renville”-compromis tot stand gekomen regering Hatta wilde deze overeenkomst doorvoeren en in het algemeen een goede relatie met het Westen ontwikkelen. Dit hield de uitschakeling van alle oncontroleerbare druk van onderop in. Aan de andere kant bracht de “Koude Oorlog” een wending in de internationale lijn van de communistische partijen, wat in Zuidoost-Azië, na de Calcuttaconferentie tot opstanden leidde in Burma, Maleisië, Indonesië en ook in India.[60]

Doordat de benauwende, ver tot in de plattelandssamenleving doordringende druk van eeuwenlange autoritaire macht en verhindering van open maatschappelijke differentiatieprocessen in de dorpssfeer, werd weggenomen, kon in de jaren 1945-1948 een ware aardverschuiving plaatsvinden. Dat wil niet zeggen sociale revolutie; wel reeksen van lokale explosies, opstijging van nieuwe lokale leiders naar eliteposities, via civiele en militaire kanalen. Het betekende een grotere autonome speling voor de desa, waardoor ook haar problemen duidelijk aan het daglicht konden treden. Men richtte zich bij vlagen tegen vreemdelingenmacht en -bezit en tegen het plaatselijke gezag, de lagere regionen van het bestuursapparaat en de daarmee verbonden dorpshoofden, traditioneel het eerste object van volksopstanden. Maar ook de santri/abangantegenstelling kon worden verscherpt. In de invloedszone van de Madiunopstand werd er niet alleen afgerekend met een aantal lokale autoriteiten, er brak ook een kleine burgeroorlog uit tussen abangan en santri: een spontane tweefrontenstrijd van de abanganbasis, die slechts indirect werd ontketend door het conflict tussen de PKI en de regering Hatta.[61] Door gebrek aan georganiseerde samenhang en politieke richting, waren alle verdergaande acties gedoemd te vervluchtigen. Daarbij kwam ook nog dat het in de Indonesische verhoudingen niet zo eenvoudig was, van onderop de graad van betekenis en onderlinge samenhang van alle maatschappelijke (geprivilegieerde) tegenstanders goed in het vizier te krijgen. Juist door de zwaarte van de Nederlandse koloniale druk (RTC, Irian Barat) tot ver na 1949, en door de omvang van het buitenlandse kapitaalbezit, kon veel revolutionaire energie, die geïsoleerd tegen buitenlandse machten werd gericht, door de neoprijajiheersers worden gekanaliseerd zonder veel maatschappelijk effect.[62] In de tweede plaats werkte de merkwaardige dichotomie in de verdeling van economisch en politiek-sociaal leidende posities in de Indonesische maatschappij desoriënterend. Het Javaanse santribezit was in de toenmalige verhoudingen zo weinig spectaculair als antagonistisch object, dat het zoals gewoonlijk ongemoeid bleef. Voor zover er Indonesisch bezit (buiten dat van Chinezen) werd aangetast in de revolutie, was het dat van sultans op Noord-Sumatra en van enige prijaji’s op Java. Verder werd dit santribezit gedekt door het feit, dat de santriwereld aan de basis felle stoottroepen voor de nationale bevrijdingsstrijd leverde; overigens de laatste maal dat santrileiders aan emancipatorische strijd deelnamen naast de abangan. Door het feit dat zij niet allereerst op kapitaal- of grootgrondbezit gebaseerd was, had het geheel van de (neo)prijaji-elite een nogal elastisch karakter.

De oude pamong pradja-bestuursvleugel, die in laatste instantie niet de staat zelf, maar een hulpapparaat (zij het dan een erg belangrijk) van het staatsmachtscentrum vormde, kon worden aangevallen en verzwakt. Echter was er een “nieuwe” staat in de maak, aan de top bemand met neoprijaji-elementen met een antikoloniale staat van dienst, aanvaardbaar voor praktisch iedereen; een nieuwe prijajistaat die de oude prijaji’s nodig had en redde. Het voor die staat essentiële militaire machtsmiddel, dat het Nederlandse en Japanse repressie-apparaat zou moeten gaan vervangen, was ook in wording. Dit zag er echter in de opbouwfase nog uit als een revolutionaire medestander van de onafhankelijkheidsstrijd van pemuda’s, arbeiders en boeren, direct als het ook uit deze strijd zelf was voortgekomen. Een objectieve veel-fronten-situatie dus, die uiterst gecompliceerd en verwarrend was, en bijdroeg tot de nederlaag van de pemudarevolutie. Wat de basisstrijd tijdens de revolutie wel bewerkte, was dat een nieuwe laag of lagen uit de abanganwereld aan de neoprijaji-elite werd toegevoegd of indirect via het leger sociaal in de buurt van die elite terecht kwam; en verder dat de agrarische basis verder werd opengebroken en meer ruimte voor zich in beslag ging nemen.[63] Er bleef een laag van pemuda-achtige elementen, die niet helemaal gearriveerd raakte (bureaucratisch, politiek of militair), in de basissfeer functioneren.

Eenmaal bezette gronden van landbouwbedrijven met name, werden voor een deel niet meer prijsgegeven door de boeren. Er moest met de desa iets meer rekening worden gehouden om onaangenaamheden te voorkomen, zonder dat dit alles fundamenteel maatschappelijk iets veranderde. Mutatis mutandis gold dit ook voor de arbeidersklasse. De basis van de Indonesische maatschappij had meer speling gekregen, wat voorlopig geen veranderingen in de machtsverhoudingen aan de top met zich meebracht. Wel had dit een verdere labilisering van de basis tot gevo1g.[64]

Kortom, een moeilijk exact te taxeren machtsverschuiving, die geen gunstig uitgangspunt vormde voor de consolidatie van een min of meer stabiel neokoloniaal regime. Er werd geen perspectief geopend voor een zelfs bescheiden burgerlijke ontwikkeling in derde-wereld-termen; zeg op een Filipijns niveau.

Het enige maatschappelijke perspectief waarbinnen de overheersende prijajiwereld als samenhangende sociale laag kon functioneren, was de handhaving en versterking van dit staatsbureaucratische, sociaaleconomische en politieke primaat, in de bestaande internationale en nationale maatschappelijke verhoudingen; dat wil zeggen een traditioneel, quasi “Aziatisch”, en puur parasitair perspectief. Een belangrijk deel van het streven van deze heersende klasse in wording was gericht op het verhinderen van verstoringen van deze verhoudingen, dat wil zeggen het voorkomen van enige politieke of economische machtsexpansie van de santriwereld, en het indammen van een autonome klasse-ontwikkeling van de abanganmassa. Al naarmate die laatste factor zwaarder ging wegen, concentreerde dat streven zich dienovereenkomstig op de beteugeling van dat gevaar, zoals dat sinds 1964/’65 het geval was. Veelzeggend is, dat dit niet met een evenredige opmars van de santri’s als onmisbare bondgenoot in nood gepaard ging.

Het santrikapitaal was op zichzelf, in de verhouding tot het overheersende westerse en Chinese, al tot niet meer in staat dan de ontwikkeling van een bescheiden compradorenpositie; waarschijnlijk ook bij een iets positievere houding van de centrale staat. Door de antagonistische relatie tot de dominante lagen rond het Javaniserend machtscentrum, werd de uitzichtloosheid van het santristreven om uit de marginale positie op nationaal plan te breken, alleen bevestigd. Door het etno- en/of socio-culturele minderheidskarakter van de potentieel burgerlijke klassenlagen op het geopolitieke centrum Java, en de etno-geografische perifere positie van haar sterkste sectoren (onder andere midden-Sumatra) ten opzichte van Java, was het voor hen (vooral georganiseerd in de Masjoemi) onmogelijk om als leidende sector van de heersende klasse op te gaan treden, zowel voor Java als voor Indonesië op nationale schaal. Het militaire apparaat had jarenlang intern ernstig te kampen met de problemen van haar regionale ontstaan en van de tegenstelling tussen het meer radicale “pemuda”element en de meer professionele conservatievere officieren. Het was geruime tijd te verdeeld en onvoldoende gecentraliseerd om de bron van een alternatieve politieke leiding te worden, krachtiger dan de stationaire neoprijajistaat. Gezien de hoge prioriteit die zeker na de koloniaal-federalistische ervaring aan nationale eenheid werd gegeven, de vanouds centralistische neigingen die vanuit alle soorten nationale machtscentra op Java steeds opnieuw werden ontwikkeld, de rol die het leger continu vervulde in het onderdrukken van regionaal-centrifugale krachten (van niet-Javanistisch karakter), en het grote aantal Javanistische elementen in de strijdkrachten, was het te verwachten dat de strijdkrachten en de civiele staatsbureaucratie naar samenwerking moesten neigen. De sterkere buiten-Javaanse sectoren van het santrikapitaal moesten daarentegen bij het krachtig doorzetten van hun belangen onwillekeurig centrifugale tendenties gaan vertonen.

De oude verlammende impasses werden in onafhankelijkheidsverhoudingen opnieuw bevestigd. Door de tijdelijke Japans geïnspireerde samenwerking van de traditionalisten en modernisten in de Masjoemi, en door de verdeeldheid waarmee de Javanistische wereld uit de revolutietijd tevoorschijn trad, leek de situatie in de eerste jaren van de onafhankelijkheid gunstiger voor de santri’s, dan hij in wezen was. De jaren van strijd in de periode die Feith nogal inadequaat karakteriseert als “the decline of constitutional democracy”, zouden spoedig de werkelijke historische krachtsverhoudingen naar voren zien komen.

_______________
[1] Schrieke, The end of classical Hindu-Javanese culture, in: Indonesian sociological studies, II, pp. 300-301; Benda, The structure, in: Continuity, p. 137.
[2] Geertz, Islam observed, pp. 67 e.v.
[2a] ENI I, pp. 77 e.v., 166, II, p. 207, III, pp. 241-243, 245-247; Marsden, History of Sumatra; De Stuers, De vestiging; Taufik Abdullah, Adat and Islam, in: Indonesia, 2, Oct. 1966, pp. 13 e.v.; Id., Modernization, in: Culture and Politics, pp. 199 e.v.; Sartono Kartodirdjo, The peasants’ revolt; The communist uprisings; Van ’t Veer, De Atjeh-oorlog, pp. 52 e.v., en passim.
[2b] Geertz, Islam observed, pp. 67 e.v.
[3] Sartono Kartodirdjo, Protest movements, pp. 80-93, 118 e.v.; Id., Agrarian radicalism, in: Culture and Politics, pp. 101, 113-166. Voor de Javaoorlog: Louw en De Klerck, De Java-oorlog.
[4] Van Nieuwenhuijze, Aspects of Islam, pp. 109 e.v.; Feith, The decline, pp. 54-55; Boland, The struggle, pp. 54 e.v., 88-90.
[5] Sartono Kartodirdjo, Agrarian radicalism, in: Culture and Politics, p. 75.
[6] Id., Protest movements, pp. 1, 7 e.v, 186 e.v, en passim.
[7] Id., pp. 8-10.
[8] Id., Agrarian radicalism, in: Culture and Politics, pp. 86 e.v., 101.
[9] Id., pp. 95-96, 103-107, 111.
[9a] Id., Protest movements, pp. 115-117, 127-133. Zie voor een type niet-moslimverzet van lange duur: The Siauw Giap, The Samin and Samat movements, in: RSEA, 1967, 2, pp. 303-310; Benda, Continuity, pp. 269-302.
[10] Mayor Polak, De herleving van het hindoeïsme.
[11] Zie de in noot 3 genoemde gevallen in de residenties Djapara-Rembang en Surabaya en in de islamitische Preanger.
[12] Kahin, Nationalism, pp. 179-180, n. 51; Van ’t Veer, De Atjeh-oorlog, p. 301.
[13] Zie hfdst. 10, noten 19-20. Duidelijker dan deze literatuur zijn eigenlijk de verkiezingscijfers van 1955 (Feith, The Indonesian elections, pp. 48 e.v.), die de kracht van de Masjoemi aangeven.
[14] Zie hfdst. 9, n. 15.
[15] Van Niel, The emergence, pp. 89, 92-93, 105 e.v., 120. Daarnaast waren er natuurlijk de Sumatranen. Zowel de zakenlieden die tot de eerste initiatiefnemers behoorden (Minangkabauers vooral) als intellectuelen, zoals de schrijver en journalist Abdoel Moeis.
[16] Van Niel, The emergence, pp. 114 e.v.; McVey, The rise, pp. 25 e.v., 37 e.v.; Tichelman, De ISDV, 1914-1918, I, (ms).
[17] Anderson, Java, pp. 108, 157, 335 e.v.
[18] McVey, The rise, pp. 24-25, 42, 92-93; Levert, Inheemsche arbeid, pp. 199-215.
[19] Tichelman, De ISDV, I, (ms).
[20] Zie hfdst. 8 en noten 23 en 24; Peters-Hesselink, Vereeniging van Spoor- en Tramwegpersoneel, pp. 10 e.v.
[21] Tichelman, Henk Sneevliet, pp. 22-26.
[22] Zie voor dit proces, naast de standaardwerken van Van Niel (The emergence, pp. 123 e.v., 134 e.v.) en McVey (The rise, pp. 22 e.v., 35 e.v.) de SI-congresverslagen: Sarekat Islam, 1e congres, Oct. 1917; Id., 2e congres, Sept. -Oct. 1918; Id., 3e congres, Oct.-Nov. 1919. Wat de tijdelijke massa-aanhang van de SI betreft: McVey (The rise, p. 24) spreekt van 2.500.000 in 1919.
[23] McVey, Indonesian communism, p. 11. Hoe groot de santri-aanhang buiten Sumatra en Banten was, is nog nooit onderzocht; evenmin of er ook na 1927 nog veel van over was gebleven.
[24] Tichelman, Henk Sneevliet, pp. 35-36, 56.
[25] McVey, The rise, pp. 144-145.
[26] Van Niel, The emergence, pp. 208-210; Blumberger, De nationalistische beweging, pp. 77-89, 311 e.v.; Benda, The crescent, pp. 53 e.v.; McVey, The rise, pp. 157-158.
[27] Voor de Perhimpoenan Indonesia: Blumberger, De nationalistische beweging, pp. 185 e.v.; Hoekstra, De Perhimpoenan Indonesia, pp. 7 e.v.; R. Darsono en M. Alimin behoorden tot de weinigen uit de prijajisfeer met althans een middelbare schoolopleiding. McVey, The rise, pp. 36, 168. Onder 1000 na de opstand geïnterneerden was er slechts een met een voltooide middelbare schoolopleiding. Zie ten aanzien van de houding in 1927 de nationalistische studieclubs: Blumberger, De nationalistische beweging, p. 203.
[28] Het betrof een protestvergadering tegen de huuropdrijving en andere misstanden op particuliere landerijen te Surabaya begin februari en te Semarang begin april 1916. HVW, 10-2-1916, pp. 73-75; 25-2-1916, pp. 84-87; 10-4-1916, pp. 120-121.
[29] Nogal langzaam verliep de ontwikkeling van het nationalisme onder de in Nederland studerenden, die zich pas in 1923 definitief losmaakten uit een gemengde vereniging (waar Nederlandse indologen ook lid van waren); nationalistische studieclubs kwamen pas vanaf circa 1924 op. Hoekstra, De Perhimpoenan Indonesia, p. 5. Voor het opkomen van de modern nationalistische beweging sinds 1927: Van Niel, The emergence, pp. 227 e.v. In dit verband is het interessant dat de studentenorganisatie Perhimpoenan Indonesia in 1926 het plan om in Indonesië een politieke partij op te richten door teruggekeerde studenten, liet varen omdat de PKI nog te sterk was. Sitorus, Sedjarah pergerakan kebangsaan Indonesia, p. 39.
[30] “In most countries of Asia, and in Indonesia in particular, communist leaders come from lower status circles than do the leaders of the nationalist parties”, merkt Mortimer (Indonesian communism, p. 27) op. McVey spreekt van “little strength among the educated classes”. Indonesian communism and the transition, in: Communist strategies, p. 160; McVey, (Indonesian communism and China, p. 33) wijst (voor de na-oorlogse periode) op de “elite solidarity”.
[31] Blumberger, De nationalistische beweging, pp. 204 e.v.; Pluvier, Overzicht, pp. 197-198.
[32] We verwaarlozen hierbij even de gecompliceerde gang naar de eenheids-PKI van 1948, na een periode waarin de communisten verspreid waren over verschillende organisaties: De PKI van Sardjono en Alimin, de Partai Buruh, de Partai Sosialis en de Pesindo. Kahin, Nationalism, pp. 158 e.v., 256 e.v.; Hasibuan, Political unionism, pp. 38 e.v.
[32a] Zie hfdst. 14 n. 12.
[33] Hasibuan, Political unionism, p. 30.
[34] McVey, The rise, pp. 147 e.v.; Peters-Hesselink, Vereeniging van Spoor- en Tramwegpersoneel, pp. 47 e.v. Naast de VSTP kan ook de SPLI (Zeeliedenbond) worden genoemd. McVey, Id., pp. 215-216, 240, 276.
[35] Voor het regime Fock: Van Niel, The emergence, pp. 199 e.v.; McVey, The rise, pp. 108 e.v., 120 e.v., 148 e.v., 306 e.v.; Hasibuan, Political unionism, hfdst. 7.
[36] The communist uprisings, passim.
[37] Benda pleit er sterk voor de Japanse tijd als een afzonderlijke periode in de Indonesische geschiedenis te beschouwen. Bastin and Benda, A history, pp. 123 e.v.; Anderson, Java, pp. 10 e.v.
[38] Id., p. 11.
[39] Geertz, Agricultural involution, pp. 124 e.v.
[40] Benda, The crescent, pp. 199 e.v.; Anderson, Java, pp. 65-66, 225. “On the eve of the Japanese surrender the military authorities had thus laid the groundwork for an orderly transfer of sovereignty ... to a largely Javanese group of middle-aged non Islamic politicians with whom they had worked in reasonable harmony throughout the occupation”, merkt Anderson op, die ook spreekt van de “impotence of Islam” in het door de bezetter ingestelde overkoepelende lichaam de PPKI. Id., p. 90. Het relatieve gemak waarmee de neoprijaji nationalisten en de prijaji’s van de bestuursdienst weer dichter bij elkaar konden worden gebracht, doet vermoeden dat de tegenstelling nooit zo heel erg scherp geweest kan zijn.
[41] Anderson, Java, pp. 23 e.v.
[42] Id ., pp. 16 e.v.
[43] Id., pp. 11 e.v., 31, 33, 57-58, 64-66; Bastin and Benda, A history, p. 127 e.v.. Typerend was de onderdrukking van elke vakbeweging. Hasibuan, Political unionism, p. 32. De Japanse bezetter maakte ook gebruik van de dichotomie. Zie noot 44.
[44] De werking van deze drie ingrepen was zeker niet gelijk en een nader vergelijkend onderzoek is zeker nog nodig. De Japanse duurde wel het kortst, maar had ook de meest traumatische werking. Voor het gescheiden optrekken van santri en abangan in de revolutie dat door de Japanse bezetter ook was voorbereid onder andere door de oprichting van een afzonderlijke moslimse strijdorganisatie: Anderson, Java, pp. 26, 222, 261; Smail, Bandung, pp. 91-93, 104-105, 156.
[45] Kahin, Nationalism, hfdstn 5-6; Anderson, Java, hfdstn 4-7.
[46] Id., pp. 125 e.v.; Smail, Bandung, pp. 55 e.v.
[47] Worsley, The Third World, p. 164; vgl. Oey Hong Lee, Indonesian government, pp. 207-208; Anderson, Java, pp. 210 e.v., 218, 45 e.v., 185 e.v., 284 e.v., 332 e.v. Anderson karakteriseert terecht de pemuda-ideeën als populistisch. Id., p. 267.
[48] Id., pp. 259 e.v. Dit was vooral het geval in West-Java. Smail, Bandung, pp. 131 e.v.
[49] Anderson, Java, pp. 334 e.v.
[50] De politieke binding met de Masjoemi (Anderson, Java, p. 222) was uiteindelijk belangrijker dan de sympathie voor de radicale pemudabeweging in Surakarta mei-juli 1946 (Id., pp. 364, 395). De overgang van de santristrijdbaarheid tijdens de revolutie naar de Darul-islambeweging in de Priangan is ook verhelderend. Dit betrof niet de Hizbullah maar de meer agrarische Sabilillahstrijdgroepen. Smail, Bandung, pp. 92-93, 128.
[51] Anderson, Java, hfdst. 10.
[52] Id., hfdst. 12 t/m 16. Het is wel gesuggereerd dat Malaka in pan-Aziatisch kader Japanse contacten zou hebben gehad. Kahin, Nationalism, pp. 118-119; Sluimers, Enige theoretische beschouwingen over de Japanse bezettingstijd op Java, in: Buiten de grenzen, pp. 265-266, n. 59.; Poeze, Tan Malaka, hfdst. X, pp. 49-50, stelt vast: “··· dat nergens een enkel concreet bewijs op deze contacten wijst ...”. Zie voor de spanningen in Soerakarta ook: Soejatno, Revolution and social tensions in Surakarta, in: Indonesia, 17, April 1974, pp. 99-111.
[53] Malaka’s minimumprogram voor de onafhankelijkheidsstrijd was wel radicaal, maar liet de binnenlandse sociale tegenstellingen onberoerd, terwijl de weg naar concretisering van het socialistisch doel in het vage bleef. De heterogene leiding van de Persatuan Perdjuangan (waaronder vertegenwoordigers van Masjoemi en het officiële militaire apparaat) weerspiegelde een populistische nationale eenheidsgedachte. Anderson, Java, pp. 290 e.v. De sociaaldemocraten in de Partai Sosialis waren meer antifascistisch dan socialistisch geöriënteerd en stonden zeer ver van de massa af. De communisten waren politiek en organisatorisch verdeeld en zoals gezegd zeer gematigd en tijdelijk nauw verbonden met de sociaaldemocraten van Sjahrir. Id., pp. 96 e.v., 170 e.v., 190 e.v., 202 e.v., 216-219, 345-347.
[54] De verreweg grootste vakcentrale, de op 2-11-1946 opgerichte SOBSI stond onder sterke communistische invloed en speelde geen autonome rol in de revolutie. Een poging tot een politiek autonome rol van de arbeidersklasse werd ondernomen door de Partai Buruh Indonesia, die echter klein bleef en in 1948 gedeeltelijk in de PKI opging. Anderson, Java, pp. 212-216; Kahin, Nationalism, pp. 273, 277 e.v., 300.
[55] Kahin, Nationalism, pp. 158-161; Hindley, The communist party, p. 19; Anderson, Java, pp. 216-219.
[56] Anderson, Java, hfdst. 16.
[57] Id., pp. 232, 267, 370 e.v.; Smail, Bandung, pp. 131 e.v.
[58] Hasibuan, Political unionism, pp. 32 e.v.; Anderson, Java, pp. 118, 212-215.
[59] Hasibuan, Political unionism, pp. 38 e.v.
[60] Voor “Madiun”: Kahin, Nationalism, pp. 284, 303. Zie voor de overgang van Dimitrov- naar Zjdanovkoers: McVey, The Calcutta conference. Er moet niet een al te causaal verband tussen deze conferentie en die opstanden gelegd worden. Het gaat meer om een tijdmarkering tussen de Dimitrov- en de radicalere Zjdanovperiode. Trager, The impact, in: Marxism, pp. 263 e.v.; Kautsky, Moscow, pp. 33-34; Overstreet and Windmiller, Communism, pp. 274 e.v. De zelfde gewapende Pesindobeweging die deelnam aan de Madiunopstand, had er het krachtigst toe bijgedragen de opstand van 3 juli 1946 te onderdrukken. Anderson, Java, pp. 401 e.v.
[61] Jay, Religion, pp. 28-29; Id., Javanese villagers, pp. 278-279, 363.
[62] Voor de Nederlandse koloniale politiek: Smit, De Indonesische quaestie; Kahin, Nationalism, hfdstn 7, 8, 11, 12; Tichelman, De Nederlandse koloniale politiek. Geen van de partijprogramma’s waren op binnenlandse maatschappelijke veranderingen georiënteerd, ook al kwamen er wel vage anti-“feodale” en dergelijke eisen in voor. Anderson, Java, hfdst. 10. Sjahrirs Partai Rakjat Sosialis van november 1945 was praktisch de enige die ook een – overigens ongespecificeerd antibureaucratisch beginsel naar voren bracht. Id., p. 203.
[63] Deze tijdelijk vrij sterke verticale mobiliteit was het vooral die bij verschillende waarnemers de indruk van ingrijpende maatschappelijke veranderingen wekte. Van Doorn (Orde-opstand-orde, pp. 60e.v.) benadrukt terecht het verschil tussen deze ontwikkelingen en een revolutie, en kritiseert niet geheel zonder grond Andersons gebruik van de term pemudarevolutie. Anderson heeft overtuigend aangetoond dat met de onderdrukking van de 3 juliopstand een conservatieve consolidatie van de sociale verhoudingen intrad. Anderson, Java, pp. 405 e.v.
[64] Voor de kwestie van de illegale bezetting van landbouwgronden (“squatting”): Feith, The decline, pp. 293-296, 308, 410-411, 552, 569-570, 596.